Ik moet minstens een engel zien

Als ze niet terugkomt, is ze nooit van jou geweest

Agur (Spreuken 30) verwonderde zich en kon iets niet vatten: ‘de weg van een man met een jonge vrouw’. In mijn geval was het eerder de jonge vrouw die zich verwonderde.

Tegen wil, dank en verlangen had ik haar uitgezwaaid, zodat zij een bijbelschool in Zweden kon volgen. Een vriend zei nog: ‘Benaiah, als je haar los durft te laten en ze komt bij je terug, is ze voor altijd van jou. Maar als ze daar valt voor een knappe Zweedse gozer, dan is ze nooit van jou geweest.’ Sommige waarheden wil je niet horen, maar ik wist dat hij gelijk had.

Ik zocht haar wel regelmatig op. Ergens wisten we wel dat we samen verder wilden. Maar hoe weet je ’t zeker, hè? Ik kom zelf uit een gescheiden gezin, met als gevolg dat ik altijd zei: ‘Voordat ik trouw, moet ik minstens een engel zien!’ Nu hadden verliefdheid en een flinke portie hormonen al wat consessies bewerkt, maar ik zocht zekerheid over iets heel specifieks.

Een vrouw om door een ringetje te halen

Dertien jaar lang had ik gefocust de weg gevolgd waarop God mij leidde. Het bleek een grillig, onvoorspelbaar pad—soms nèt iets ruig ook. Vandaar, zo dacht ik, moest mijn bruid in elk geval zelf Gods stem kunnen verstaan. Al was het alleen maar om toekomstig gekibbel bij routewijzigingen te voorkomen… Ter bevestiging had ik dus een test bedacht. Beiden zouden we God om een bijbeltekst vragen. En bij onze volgende ontmoeting zou dit dezelfde tekst moeten zijn.

Het feit dat ze niet blikte of bloosde bij dit voorstel—dat duidelijk tegen alle dating-protocollen inging—sprak eigenlijk al boekdelen. Toch reisde ik met kerst een beetje nerveus weer naar Uppsala. Dit keer met een verlovingsring op zak en de goedkeuring van haar vader.

Man on a mission

Mirjam voelde ‘m al aankomen toen we samen door de sneeuw richting de kathedraal sjokten. Buiten was het -15˚C. Binnen was het warm. De blikken ontwijkend van de weinige bezoekers, zochten we schuchter een bankje achteraf. Privacy die enkel werd geschonden door apostelen in glas-in-lood. Het was romantiek met een vleugje vroomheid. Ik kwam immers niet voor God (al was ik wel op een missie). Toch werd het een heilig moment, zodra Mirjam zei dat God haar een lied had gegeven: Psalm 40:1-3: ‘Lang heb ik de Here verwacht… Hij hoorde mij… zette mijn voeten op een rots en maakte mijn schreden vast…’—Exact wat ik ook had opgeschreven!

Dankbaar keek ik naar boven—een onmiskenbare effect van zo’n gotisch godshuis—en moest ineens lachen. Mir volgde mijn blik naar het raam. Daar, in een carnaval van kleuren, stond geen apostel, maar de engel Gabriël afgebeeld… Onze Vader wist het sprekend te brengen. Het was duidelijk: wij mochten binnenkort wéér naar de kerk.

Deze column werd eveneens gepubliceerd in (F)Luister Magazine.